front

opgetekend door Leo Hulst

 

Engels Lang Voorhoofd Tuimelaar.

Vanaf eind jaren 70 heb ik deze tuimelaar in de meerdere kleur variëteiten gekweekt. Derhalve mag je aannemen dat ik de nodige ervaring heb opgedaan met dit ras.

Een feit is, dat het bepaald niet een van de gemakkelijkste rassen is om te kweken.

Reeds vanaf de oprichting van de Speciaal Club is er nooit een groot ledental geregistreerd.
De populariteit van de Lang Voorhoofd Tuimelaar was op z'n best in de jaren '70.

Het waren toen de fokkers Huib Vet en Theo van de Swarts die kontakten onderhielden met fokkers in het buitenland.
In Engeland maar vooral in Amerika was de kwaliteit bijzonder hoog.
Door importen uit de " STATES " kwam er in de Speciaal Club strubbelingen omdat de standaard in overeenstemming werd gebracht met de STANDAARD, zoals gehanteerd in het land van oorsprong ( Engeland ).
Het ging hier voornamelijk over de veel kortere snavel en de kop grootte.
Door de standaard aan te passen kwamen meerdere fokkers in de problemen, want:

  1. Zij beschikten niet over zulk materiaal.
  2. Voedsterduiven om de jongen groot te brengen was  nu onontbeerlijk  geworden.

Het heeft jaren geduurd voordat er nazaten van die nieuwe imports kon worden afgegeven. Maar het kwaad was reeds geschied en waren er maar heel weinig fokkers van dit ras overgebleven.

Het was toen vooral Albert van Feggelen die via een rondschrijven alle "oud leden" opnieuw benaderde om de Speciaal Club een nieuw leven in te blazen.
Dat lukte aardig want het leden aantal steeg weer tot tegen de 30.

Door de wil er gezamenlijk weer iets moois van te maken werden de kontakten in het buitenland sterker aangehaald.
Vele trips zijn er in de negentiger jaren naar Amerika gemaakt en vandaar schitterend fokmateriaal meegenomen.

Hoogtij jaren voor de Speciaal Club waren aangebroken, zeker tot het Millenium.

Gezamenlijk exposeerde we onze Lang Voorhoofd Tuimelaars in Duitsland en Engeland.
Werkelijk grote successen werden er geboekt. Met het gevolg dat men met name in Duitsland, graag onze dieren wilden hebben. Maar ook in Engeland.
Zelf heb ik er vele, vele jaren manden vol Lang Voorhoofd Tuimelaars naar toe gebracht. Ook de dieren die daar succesvol waren werden achter gelaten. Trots waren wij op het feit dat die Engelsen onze dieren graag wilden overnemen.

Inmiddels is er kwaliteit in de ons omringende landen ook sterk verbeterd en is het onderlinge contact met het buitenland op een zodanig niveau dat er op een ”prettige” manier dieren kunnen worden uitgewisseld.

Maar de belangstelling voor onze duiven hobby in het algemeen is tanende. Meer vrijheid en andere prioriteiten hebben de liefhebberij m.n. onze Lang Voorhoofd Tuimelaars weer terug geworpen en zijn er nu nog maar weinig fokkers – speciaal in Nederland -  die dit mooie ras willen oppakken.

Het gaat nu eenmaal zo. Jonge duiven liefhebbers zijn er niet zoveel meer en zo ze er wel mogen zijn gaat men over tot het houden van een ras ZONDER voedsterduiven.

De liefhebbers van kortsnavelige duiven rassen zijn meestal wat oudere liefhebbers met veel ervaring die zich nog aangetrokken voelen voor de moeilijkheids factor welke de kortsnavelige duiven nu eenmaal met zich meebrengt.